Medicijnen tegen allergie
Medicijnen die gebruikt kunnen worden om allergie te behandelen bestaan uit twee groepen 1. Medicijnen die de allergische symptomen bestrijden 2. Immunotherapie
Immunotherapie beoogt - in tegenstelling tot een behandeling met symptoombestrijdende medicijnen - een causale aanpak van een (inhalatie) allergie.
Bij immunotherapie wordt gedurende een lange periode kleine hoeveelheden van het allergeen (de stof waarvoor iemand allergisch is) bij een patiënt toegediend. Hierdoor kan het afweersysteem gewend raken aan deze stof met als gevolg dat de allergische klachten zullen afnemen of zelfs geheel verdwijnen.
In het verleden werden bij immunotherapie de allergenen alleen middels injecties toegediend. De kans op ernstige bijwerkingen en de patiënt-onvriendelijkheid van deze therapie - de patiënt moet de injecties in de praktijk van de arts laten toedienen - heeft ertoe geleid dat er de laatste jaren nieuwe toedieningsvormen zijn ontwikkeld die minder bijwerkingen hebben en minder belastend zijn voor patiënten.
Sublinguale immunotherapie (sub-linguaal = onder de tong) Bij sublinguale immunotherapie (SLIT) wordt de medicatie gewoon thuis door de patiënt ingenomen middels druppels onder de tong. Deze therapie is daardoor veel prettiger (geen pijnlijke injecties) en makkelijker (thuis innemen) voor de patiënt.
Uit wetenschappelijke studies blijkt dat de effectiviteit van SLIT vergelijkbaar is met de injectietherapie. Sublinguale immunotherapie is inmiddels bij grote groepen patiënten toegepast waarbij tot op heden geen ernstige bijwerkingen zijn gemeld.
|